De selfies van toen: zelfportretten door de eeuwen heen.

23 januari 2021
In dit social media-tijdperk draait het allemaal om het perfecte zelfbeeld: de kunst om jezelf zo goed mogelijk te kijk te zetten. Neem Kim Kardashian - de ongeëvenaarde 'Queen of Selfies': haar enorme schare volgers (200 miljoen) heeft ze te danken aan haar beste invalshoeken op haar smartphone. Maar hoe zat dat in vroegere tijden?

Net als bij de hedendaagse selfies werd er ook in de kunstgeschiedenis door kunstenaars nagedacht hoe zij zichzelf wilde etaleren. 
Ik dook in deze boeiende materie en maakte een essay over het zelfportret door de eeuwen heen, verluchtigd met foto's die ik eerder maakte van kunstenaarspersoonlijkheden. Kijk en lees je mee?
 


1. Paul Gauguin, Zelfportret met portret van Emile Bernard, 1888. 2. Rembrandt, (detail van) Zelfportret met krullend haar, 1628-1630. 3. Rembrandt, Zelfportret, ca. 1628.
De selfie werd al beschreven in de eerste eeuw na Christus*, maar dergelijke schilderwerken zijn niet of nauwelijks bewaard gebleven. We springen daarom naar de 15e eeuw, want pas vanaf die tijd werd de olieverftechniek dusdanig 'verfijnd' dat kunstenaars goed gelijkende (zelf)portretten konden penselen. Hier in de Noordelijke Nederlanden bleven we zelfs nog wat achter: in 'onze' kunsthistorie komen zelfportretten van vóór 1600 eigenlijk amper voor. 
Daar komt bij dat in de Middeleeuwen (schilder)kunst werd beschouwd als ambacht. Het ging niet om de maker, maar om het eindproduct (de voorstelling) en om de opdrachtgever die zich een dergelijke kostbaarheid kon veroorloven. Kunst had nog niets te maken met persoonlijke roem (anders dan die van de 'nieuwrijke', tot pochen geneigde eigenaar), dus waarom zou je dan jezelf schilderen? Pure tijds-, en dus geldverspilling.
Plinius de Oudere (23-79 na Christus) schreef in zijn 'Naturalis Historia' over een kunstenares genaamd Iaia, die met behulp van een spiegel een zelfportret had geschilderd dat zo goed gelijkend was dat iedereen haar herkende.

zelfreflectie

In de 'Gouden' Eeuw ontwikkelde het zelfstandige zelfportret zich heel geleidelijk. Kunstschilders werden steeds meer gewaardeerd en bewonderd om hun creatieve kwaliteiten en van daaruit ontstond dan ook de interesse in het kunstenaarschap an sich. Naarmate de waardering voor het creatieve vakgebied groeide, nam de status van de maker recht evenredig toe.
De artiesten kregen heuse fangirls en -boys. En net als nu (bij de socials) wilden de volgers weten met wie ze van doen hadden. Mensen raakten geïnteresseerd in het werk, maar ook in het leven én in het uiterlijk van de schilders. Vandaar dat die - als visitekaartje én als proeve van bekwaamheid (knap staaltje marketing en zelfpromotie) portretten van zichzelf gingen maken. Et voilà: daarmee was het zelfportret als zelfstandige categorie geboren.





4. Paul Cézanne, Zelfportret, ca. 1880-1881. 5. George Hendrik Breitner, Zelportret met lorgnet, ca. 1882. 6. Anton Mauve, zelfportret, ca. 1884-1888. 7. Thérèse Schwartze, zelfportret met palet, 1888. 8. Emily Childers, zelfportret, 1889.
Neem Rembrandt van Rijn (1606-1669). Hij kwastte in een tijd dat het imago van de kunstschilder inmiddels was veranderd van anonieme vakman tot een moderne held; een idool. En hij werd een kampioen in het genre (naar verluidt geïnspireerd door een gravure van Titiaan - ca. 1480-1576 - die hij onder ogen kreeg en ook Albrecht Dürer - 1471-1528 - werd lichtend voorbeeld) en lang niet 'alleen' uit ijdelheid.

Hij maakte minstens 80 zelfportretten die hij zowel schilderde, etste als tekende. Door steeds maar weer in de spiegel te kijken, oefende hij zich in het vastleggen van gelaatsuitdrukkingen en dat is ook een van de functies van het zelfportret: jezelf als studie-object nemen. (Lekker goedkoop) elke denkbare grimas uitproberen: dat spaart immers een model uit.

leve de zelfverheerlijking!

Dan maken we een sprongetje naar de tweede helft van de negentiende eeuw, waar het genre 'zelfportret' langzaamaan weer aan populariteit won (na een tijdlang te zijn weggezakt). We zien dat postimpressionist Vincent van Gogh er (ook) wat van kon; volgens diverse bronnen penseelde hij tussen de 35 en 39 zelfportretten. Hij wierp - net als wij - regelmatig een blik in de spiegel.
Even een geinig feitje. In het tragische schilderij 'Zelfportret met verbonden oor' (1889 en zie foto 9) schilderde Vincent zijn rechteroor in het verband. Met recht een spiegelbeeld van de werkelijkheid, want het was niet zijn rechter-, maar juist zijn linkeroor die het in de vlaag van waanzin moest ontgelden. Mooi voorbeeld van de werking van kijken in een spiegel. 

Soms toont een zelfportret de kunstenaar aan het werk in zijn atelier met al zijn attributen. In andere gevallen gaat het meer om de uitbeelding van zijn persoonlijkheid. De artiest verbeeldt niet alleen zijn fysionomisch zelfbeeld, maar ook hoe hij zichzelf wil poneren. Hij vraagt zichzelf af "hoe wil ik dat de toeschouwer mij ziet?" Zeg maar image building. Zo'n doek was ook vaak aanleiding tot zelfonderzoek, zelfexpressie en/of zelfreflectie. Een 'momentopname' van de gemoedstoestand waarin de kwaster zich bevond. En natuurlijk om te experimenteren met verschillende schilderstijlen. 





9. Vincent van Gogh, Zelfportret met verbonden oor, 1889. 10. Isaac Israëls, Zelfportret, ongedateerd. 11. Egon Schiele, De Profeet (dubbel zelfportret), 1911. 12. Marc Chagall,  Zelfportret met zeven vingers, 1912-1913. 13. Charley Toorop, Zelfportret, 1922.
De moderne kunstenaars gingen dus anders kijken: zij volgden niet meer dociel de heersende mode, maar werden kritisch en vormden (daarom) steeds vaker een avantgardistische groep binnen de samenleving. Het zelfportret bleek zeer geschikt in combinatie met de idealen van de moderne kunst met als grootste thema de vrije expressie.

do it your selfie

Ons (leesbare) gezicht is een communicatiemiddel en de moderne techniek (op het gebied van fotografie, maar ook het gebruik van algoritmes en gezichtsherkenningstechnieken) beïnvloeden ons communicatiemiddel ingrijpend. 
De enorme mogelijkheden van de smartphone leiden tot nieuwe schoonheidsnormen. Denk dan aan compositie (filtertje hier, filtertje daar, duck face, het schuine hoofd), als in gezichtsvormen. Volle lippen, grote (reeën-) ogen, hoge jukbeenderen, perfecte wenkbrauwen, haast lichtgevende tanden, keurig in het gelid en een zacht glanzende, egale en strakke huid. Op die manier is er een hernieuwde fixatie op het gezicht ontstaan met als gevolg een grote invloed aan betekenis, waarde en de status van ons voorkomen.
 
"Sommige kunstenaars van nu becommentariëren de nieuwe gezichtsstereotypen" (of eenheidsworsten zou ik willen zeggen), leer ik uit een artikel van Wieteke van Zeil*. Zij noemt als goed voorbeeld (o.a.) kunstenaar Cindy Sherman, die zichzelf steeds in andere rollen verbeeldt. "Zij speelt met hoe anderen haar zien, en met hoe vrouwen gewend zijn altijd met een blik van buiten naar zichzelf te kijken. 
* in de catalogus van de expositie 'In the Picture' (Van Gogh Museum, 21 februari (en verlengd tot) 30 augustus 2020). 




14. (Detail van) één van 'Portrait No. 524-531' van Anton Henning, 2018. 15. Philip Akkerman maakt alleen maar zelfportretten. 16. Erwin Olaf, Drieluik 'self-portrait 50 years: I wish, I am, I will be', 2009. 17. Erik Suidman, zelfportret, (datum onbekend).
Tekst en alle (iPhone)foto's: @MiriamvanderMeer | www.agreylady.nl

Openbaar kunstbezit in IAMsterdam: een straatbeeldjournaal #2

9 januari 2021
In elke stad of gemeente zie je (on-) opvallende openbare kunst. Soms gecreëerd door (wereld-) beroemde kunstenaars of juist minder aan de weg timmerende sculpturisten. 
En wonende in Amsterdam (plus een landelijke lockdown), blijf ik dicht bij huis en verken ik deze keer de wijk Osdorp in stadsdeel Nieuw West (ook wel 'het Wilde Westen'). Ook daar zijn gratis en voor niks kunstwerken te bewonderen en wat het interessant maakt is dat er bij enkele van die creaturen twijfel is of het wel echte 'Kunst' genoemd mag worden. "Want wat voor de een lelijk is, is voor de ander mooi. En soms is kunst mooi, zelfs al is het lelijk".

Lees en kijk mee naar mijn naspeuringen ter plekke en oordeel zelf.



1. Schaapjes, Gerrit Bolhuis, 1966. (Foto: Buitenbeeldinbeeld). 2. archieffoto op het hekwerk rondom het 'Schaapjes'. 3.Senza Parole ('zonder woorden') van kunstenaar Bert van Loo, 1998.
Ik vat het begrip ‘kunst in de openbare ruimte’ heel royaal op. Ook alle standbeelden, monumenten, fonteinen en dergelijke, ooit geplaatst ter meerdere eer en glorie van koning, keizer of admiraal*, doen wat mij betreft mee. Hetzelfde geldt voor 'illegaal' of op eigen initiatief gedeelde kunstzinnig bedoelde uitingen en creatieve verluchtigingen van straat en buurt: ook die mogen van mij straatkunst worden genoemd.
* Dichter, schilder, musicus etc. En ja, sommige historische beeldhouwwerken zijn omstreden: een discussie die ik hier even laat rusten. 

hufterproof beeldentuin

Ik citeer: "alle objecten, sculpturen en andersoortige opsmuk die geplaatst zijn ter verfraaiing van de leefomgeving met als doel om de saamhorigheid en werkgelegenheid (?) te stimuleren, het cultureel toerisme aan te moedigen, de sociale verbondenheid te bevorderen, de identiteit én het bewustzijn van de plaatselijke cultuur en geschiedenis te versterken" (hé, hé..), is volgens het kunsttheoretisch, wetenschappelijke boekje straatkunst. 
De publieke kunst moet dus een 'hoger doel' dienen. Het moet de mensen op die bepaalde plek en door de jaren heen iets doen; namelijk emotioneren. En daarmee hebben we al twee heikele discussiepunten te pakken, want wat is verfraaien en wat is 'iets doen'? Het moet 'iets doen'? Oh jeetje! En verfraaien? Over smaak valt toch niet te twisten? 

Kunst in het museum hoeft geen rekening te houden met invloeden van buitenaf. Het publiek komt in alle rust en op 'gepaste' wijze kijken. Liefst onder de indruk, maar in ieder geval stil, zeg 'stijfdeftig'. Ze gaan op eigen initiatief, als vrije keuze naar een tentoonstelling om betoverd, ontroerd, geschokt en/of in verwarring gebracht te worden. 





4. Papieren Vliegtuigpijl, Henk Hesselius, 1982. 5. 'Jongen met haan’, (1969) van Ruth Brouwer. 6. en 7. Drie van de vier sculpturen van Adriaan Rees (2007) genaamd 'Aardewerk'. 8. 'Monument voor de vrede' van Heppe de Moor uit 1986. 
Maar dan de willekeurige passant in de straat, in het park of op het plein. Die wordt er ongevraagd mee geconfronteerd. En elke kunst is nu eenmaal niet voor iedereen (en heeft wel - of in ieder geval meestal - belastingcentjes gekost). 
Publieke kunst 'communiceert' met de voorbijgangers, zowel in positieve als negatieve zin en dan ook nog eens in concurrentie met de stortvloed aan andere visuele informatie in het gemeenschappelijke domein. Ga daar maar eens aan staan...

Lang verhaal kort

Ik waardeer eigenlijk altijd en overal, elke creatieve uiting van individuen of groepen in het openbare domein. Vind ik alles mooi? Nee, zeker niet. Maar ik apprecieer alle goedbedoelde pogingen om (willekeurige) voorbijgangers te emotioneren. 

Oké, over naar mijn kunstroute door Osdorp. Het is een 'jonge' buurt, want pas in 1958 werden de eerste (vaak flat-)woningen in gebruik genomen. Aanvankelijk aangeduid als 'tuinstad', kreeg het zo'n twintig jaar geleden de dubieuze reputatie als achterstandsbuurt: een deel kreeg in 2007 het predicaat 'Vogelaarswijk', synoniem voor verloedering en overlast. De armoede is groot, de (jeugd-) criminaliteit hoog en de leefbaarheid laag, ook nu nog. 

Maar ook hier staat kunst. Kunstwerken waar vaak achteloos aan voorbij wordt gegaan (en in sommige gevallen misschien ook wel terecht). Als je met je hoofd in de wolken loopt, zie je de dingen niet. Zeker niet op zo'n grauwe middag eind december en tussen de buien door, toen ik het stadsdeel bezocht.




9. kunstenaar Jan Spiering met ‘Mensen op strand met parasol’, 1976. 10. 'Zwerm' van Paul Vendel uit 2006. Foto van Arch via Wikipedia11. Jacques Jutte met Vruchtbaarheid uit 1970. 12. Een van de drie gevelbekledingen aan het Blomwijckerpad. Deze ‘Krijger’ is van Dick Zwiers (1960).
Ik begin met de huppelende bronzen schaapjes op het Osdorpplein van kunstenaar Gerrit Bolhuis (uit 1966), die ondertussen flink glimmen omdat kinderen er naar hartenlust op spelen. (Maar nu even niet. Het centrale plein van de wijk wordt opgeknapt. De schaapjes staan beschermend afgedekt totdat de werkzaamheden zijn voltooid (vandaar een archiefbeeld 1 en foto 2).
Bij het Stadspark Osdorp staan vier geglazuurde aardewerken beelden die kunstenaar Adriaan Rees in 2004 samen met vier kinderen uit de buurt maakte. Zijn ze mooi? Nou....? Niet of nauwelijks. Bij kindertekeningen roept (vrijwel) iedereen bewonderd "wat heb je dat knap gedaan!", terwijl er vaak niet veel van klopt. En dat is ook het geval bij deze beelden. Hier is dan ook de uitspraak "mooi, terwijl het lelijk is" van toepassing (zie 6 en 7).

Hetzelfde geldt voor 'Monument voor de Vrede' uit 1986 van Heppe de Moor. Word ik ook niet bepaald warm of koud van. Een kunstwerk dat eind tachtiger jaren dienst zou moeten gaan doen als verzamelplek voor een jaarlijkse Dodenherdenking in de wijk (had de toenmalige Stadsdeelraad in al haar wijsheid bedacht (en zie foto 8). Typisch gevalletje 'Kanniewaarzijn'.

mooi, terwijl het lelijk is 

Veel kunst in Osdorp bestaat uit bronzen beelden die tijdens de bouw van het stadsdeel geplaatst zijn, dus eind 50er-, begin 60er jaren. Exemplarisch voor die tijd en nogal gedateerd. Want in tegenstelling tot schilderijen, kunnen sculpturen - wat mij betreft - uit de mode raken. Er zijn natuurlijk uitzonderingen, zoals 'Totempaal' van Aert Rietbroek uit 1966. Geweldig ding (foto 14)!
Van latere datum zijn 'Vleugelvormen' van Gerard Bruning uit 1983 en 'Zwerm' (2006) van Paul Vendel waar ik ook nogal gecharmeerd van ben (resp. foto 16 en 10).



14. 'Totempaal' van Aert Rietbroek uit 1966. 15. Een van de drie gevelbekledingen aan het Blomwijckerpad. Hier ‘Ladders’ van Lex Horn (1960). 16. 'Vleugelvormen' van Gerard Bruning uit 1983.

Hoe dan ook, veel van de buitenkunstwerken in Osdorp zijn niet bepaald spectaculaire eyecatchers, maar waarschijnlijk ziet alles er vrolijker (en daardoor aantrekkelijker) uit als de zon schijnt.
En dan liefst uitbundig.


-X-


Als parcours voor mijn winterwandeling gebruikte ik een van de kunstroutes van Public Art Amsterdam (en op hun site zijn ook podcasts te horen waarin de sculpturen in het licht worden gezet). Ik zeg: een aanrader!
Dus mocht je in de lockdown behoefte hebben aan kunstbeleving én de broodnodige stappen moeten of willen zetten? (Weer eens wat anders dan uitwaaien op de overdrukke stranden of in andere platgetreden natuurmonumenten). Kijk dan op de site van dit samenwerkingsverband* en laat je leiden langs kunst in de grote Amsterdamse beeldentuin.

Amsterdam Museum, CBK Zuidoost, De Appel, Framer Framed, GET LOST – art projects, LAPS / Gerrit Rietveld Academie, Mediamatic, Stichting NDSM-werf, Oude Kerk Amsterdam, Stedelijk Museum, TAAK en Zone2Source.

Tekst en alle (iPhone)foto's: @MiriamvanderMeer | www.agreylady.nl, behalve foto 1 en 10 (zie bijschrift). 

'Surinaamse School' in het Stedelijk Museum: schilderkunst van Paramaribo tot Amsterdam

26 december 2020
Een hard gelag: drie dagen na de opening op 12 december van deze belangwekkende expositie moesten de deuren van het Amsterdamse kunsthuis weer dicht. Maar op de valreep, de dag voordat de laatste, harde lockdown een feit werd, bezocht ik deze presentatie genaamd 'Surinaamse School, schilderkunst van Paramaribo tot Amsterdam' in het Stedelijk Museum.

"Met meer dan 100 kunstwerken van 35 kunstenaars neemt 'Surinaamse School' je mee langs de schilderkunst van circa 1910 tot midden jaren 1980 en de verhalen die eraan ten grondslag liggen" promoot het Stedelijk de expositie.
Hieronder volgt mijn algeheindruk. Lees en kijk je mee?



1. Nola Hatterman, Louis Richard Drenthe / Op het terras, 1930, olieverf op doek. Collectie Stedelijk Museum Amsterdam (uitsnede). 2. De eerste zaal van de expositie. 3. Foto's c.q. prentbriefkaarten van de fotograferende zusters Curiel. 
Geheel in de lijn van het hedendaagse tijdsbeeld - namelijk die van het stimuleren van diversiteit, inclusiviteit en representatie* en dan in het bijzonder die in de culturele sector én de aandacht voor ons koloniale verleden - vond het (Hoofd)stedelijke Museum het hoogste tijd voor een tentoonstelling met Surinaamse schilderkunst uit het begin van de vorige eeuw tot ongeveer halverwege de jaren 80.
*Op 1 nov. 2019 werd de Code Diversiteit & Inclusie voor de culturele sector gelanceerd. Deze nieuwe code verving die van 2011. Het gaat naast culturele diversiteit ook over verscheidenheid op gebied van gender, seksuele voorkeur, leeftijd en om mensen met een beperking.

Het is inmiddels 45 jaar geleden dat Suriname onafhankelijk werd en de voorstelling in het Stedelijk herinnert aan de gedeelde geschiedenis met Nederland. Maar "het had eerder gemoeten" aldus directeur Rein Wolfs (in Trouw). Ter "verdediging": in 1996 was er een grote tentoonstelling met hedendaagse kunst uit Suriname dat zich richtte op de periode 1975-1995.
Desondanks achtte het museum het nu tijd om een historisch overzicht samen te stellen dat handelt over de penseelkunde in (een groot deel van) de twintigste eeuw van deze jonge natie* aan de noordkust van Zuid-Amerika. Het hiaat - het gebrek aan aandacht voor, en bekendheid mét de Surinaamse (schilder)kunst - moest (moet) worden ingevuld. 
* Het land werd een kleine driehonderd jaar gekolonialiseerd door Nederland (van 1667 tot 1954), gevolgd door een status als 'zelfstandig' land binnen het zogenaamde Koninkrijksverband. Op 25 november 1975 werd het onafhankelijk.

De vertoning blijkt een ratjetoe aan stijlen. Niet zo gek: het gepresenteerde overspant een lange periode en de 20ste eeuw kenmerkt zich nu eenmaal door de snel opeenvolgende kunststromingen. Ook is goed te zien hoe divers de bevolkingssamenstelling van Suriname is. Het land heeft ingezetenen met allerlei etnische achtergronden - kijk maar eens naar de portrettengalerij - met als grootste groepen: de oorspronkelijke bevolking, Afro-Surinamers, Hindoestanen, Javanen en Chinezen. 






4. Leo Glans, 'Bananenplantage', 1937-1938. 5. Wim Bos Verschuur, 'Rijst, Wittie Boiti de Goede Verwachting', ongedateerd. 6. Nola Hatterman, Stilleven met rode kam, 1929. 7. Leo Glans, 'Damesportret', 1933-1934. 8. Nola Hatterman, 'Vrienden', 1937. 9. Zaaloverzicht.
In de tentoonstelling 'Surinaamse School' spelen verbeelding van de eigen geschiedenis(sen), spiritualiteit en het alledaagse leven een rol in de artistieke ontwikkeling, net als abstracte experimenten en maatschappelijke veranderingen, zegt het persbericht over datgene wat je te wachten staat. En al die aspecten vind je in verhalende vorm terug in die diverse kunstgenres, zoals die van het realisme, het expressionisme en zelfs de abstractie.
Je ziet het in de stillevens, landschappen, in de eerder genoemde portretten, schilderstukken met als thema religie (met de veelheid aan geloofstradities* die Suriname kent), het geestesleven en de mystiek (ook wel spiritualiteit) én de vrijheidsdrang - waaronder marronage** - en het activisme.
* enkele voorbeelden zijn Winti (meegenomen door de West-Afrikaanse tot slaaf gemaakten), traditionele (natuur)religies, het christendom, Hindoeïsme en de Islam.
** Het woord marronage werd gebruikt om de vlucht van de plantages te omschrijven. De tot slaaf gemaakten die erin slaagden zichzelf te bevrijden van een leven in slavernij en daardoor in vrijheid een nieuw bestaan konden opbouwen, werden (en worden) marrons genoemd (bron: counternarratives).

Heel nadrukkelijk wordt er in het kijkspel ingegaan op het kunstonderwijs in het Zuid-Amerikaanse land. Of beter gezegd: (voor lange tijd) het tekort daaraan. "Door de langdurige Nederlandse koloniale overheersing was er bijvoorbeeld  gebrek aan (bevoegd) kunstonderwijs in eigen land en waren kunstenaars lange tijd aangewezen op Nederland om hun kunstopleiding te vervolgen" blijkt uit onderzoek dat de (gast-)curatoren - en dat waren er maar liefst zeven - uitvoerden. Met name de Surinaamse pioniers die van grote invloed zijn geweest op de ontwikkeling van het kunstonderwijs en daardoor belangrijk zijn (geweest) voor andere kunstenaars, krijgen -  terecht - veel aandacht.

Veel van de schilderijen moest ook worden geleend, want maar vijf van de uitverkoren vijfendertig kunstenaars zijn in de collectie van het Stedelijk vertegenwoordigd. De eerste Surinaamse artiest die door het kunsthuis werd aangekocht was Erwin de Vries in 1963. En je zou De Vries kunnen kennen (...) als maker van het Nationaal monument slavernijverleden (uit 2002) in het Oosterpark in Amsterdam (en de jaarlijkse televisie-verslaggeving van de Ketikoti-herdenking bij deze beeldengroep). 






10. Cliff San A Jong, 'Zelfportret', 1983. 11. Jules Chin A Foeng, 'Portret grootmoeder' en 'Portret grootvader', beide 1973. 12. Armand Baag, 'Familieportret Baag', 1989. 13. Wilgo Elshot, 'Harold', 1982. 14. Zaaloverzicht. 15. Eddy Goedhart, 'Winti-schouwspel', 1974. 
Goed. Wat is mijn conclusie? Ik was blij verrast en erg onder de indruk van de kwastkunst van veel, voor mij volstrekt onbekende artiesten en dat geldt voor velen van ons (denk ik), vandaar ook deze 'spoedcursus' in het Stedelijk.
Zo troffen de werkstukken van de Nederlandse autodidact en actrice Nola Hatterman (Amsterdam, 1899 - Paramaribo, 1984) en dan vooral haar schilderij 'Op het terras' uit 1930, mij zeer aangenaam. To say the least. Prachtig! Mooi voorbeeld van de Nieuwe Zakelijkheid uit die tijd. Een van de samenstellers van de presentatie én biograaf van Hatterman, Ellen de Vries ontdekte recent dat het hier gaat om een portret van Louis Richard Drenthe, een - lange tijd in Nederland woonachtige trompettist, kelner en acteur. 

Wat ik hier noem als mijn favorieten, zijn nogal voor de hand liggende voorkeuren (ook ik ga vaak voor 'makkelijk' te behappen kunst). Zo zag ik een paar geweldige landschappen (zie foto 4 en 5) en ben ik bijzonder te spreken over alle penseelwerken van Jules Chin A Foeng (Paramaribo, 1944-1983), zoals de portretten van zijn grootouders (foto 11) en zijn hyperrealistische 'Chinese Slippers' (foto 23).
Dan kunstenaar, danser, (onafhankelijkheids)activist en promotor van de Caribische kunst Armand Baag (Paramaribo, 1941 - Amsterdam 2001). Een man met een interessante levenswandel* (zo blijkt ook uit de zaaltekst) en een begaafd portrettist (foto 12). In de expositie hangen enkele hele fraaie doeken.
Naast zijn werk als kunstschilder vormde Baag, samen met zijn partner, danseres Willy Collewijn een paar jaar een dansduo dat onder de artiestennaam ‘King Creola en Queen Sheba’ in nachtclubs in heel Europa optrad.

Sommige van de abstracte werken in de tentoonstelling doen mij erg denken aan die van CoBrA en als groot fan is dat dus helemaal geen straf. Zeer het bekijken waard!






16. Erwin de Vries, 'Abstract', 1969. 17. Zaaloverzicht (links Erwin de Vries en rechts Hans Lie). 18. Jules Chin A Foeng, 'Blauwe deur', 1977. 19. Zaaloverzicht. 20. Armand Baag, 'De Stoffenhandelaar', 1976 en 'Kaseko Master', 1982. 21. George Ramjiawansingh, 'Mensen naar de markt', 1991.

De vertoning - maar nu dus even niet - 'Surinaamse School' in het Stedelijk Museum Amsterdam staat gepland tot en met 21 mei 2021, maar hoe dat af gaat lopen is vooralsnog voor iedereen de vraag.
Maar wat kan wel? Bekijk de online tour door de tentoonstelling via de social media van het kunsthuis, zoals op YouTube. Of beluister de driedelige podcastserie 'De kunstgeschiedenisles die je nooit hebt gehad' op Spotify.


-X-


Hele fijne dag!


22. Zaaloverzicht. 23. Yours truly bij 'Chinese slippers' van Jules Chin A Foeng (1980-1983).
Tekst en alle (iPhone)foto's: @MiriamvanderMeer | www.agreylady.nl, behalve de eerste foto: zie onderschrift.

Auto Post Signature

Auto Post  Signature